De geest van de
liturgie
HET ZEVENDE GEBOD VAN DE TIEN GEBODEN  (1)

"Gij zult niet stelen." (Ex. 20, 15; Deut. 5, 19)

Het zevende gebod verbiedt het bezit van de naaste weg te nemen of het onrechtmatig achter te houden en hem schade te berokkenen in zijn bezittingen op welke manier dan ook. Het schrijft ons ook voor de rechtvaardigheid en de naastenliefde te beoefenen bij het beheren van de aardse goederen. Met het oog op het algemeen welzijn vraagt dit gebod om eerbiediging van de universele bestemming van de aardse goederen en van het recht op privé-eigendom.
De goederen van de schepping zijn bestemd voor heel de mensheid. Want vanaf het begin heeft God het beheer van heel de aarde en haar natuurlijke hulpbronnen aan de menselijke gemeenschap toevertrouwd. Niettemin is het gewettigd eigendom te verwerven om de vrijheid en de waardigheid van de personen te verzekeren, om iedere mens te voorzien in zijn fundamentele behoeften en in de noden van hen voor wie hij verantwoordelijk is. Het recht op privé-bezit, verworven door arbeid, door erfenis of schenking, doet geenszins de realiteit teniet dat de aarde oorspronkelijk aan heel de mensheid geschonken is. De universele bestemming van de aardse goederen blijft de voornaamste norm. Ieder die bezit heeft dient er zich van bewust te zijn dat hij rentmeester is namens de voorzienigheid en dat hij anderen in het rendement van het bezit moet laten delen, op de eerste plaats degenen die hem het naast staan. De bezitters van produktiegoederen zoals grond of fabrieken, deskundigheid en artistieke aanleg, moeten deze zorgvuldig beheren opdat de opbrengst aan zoveel mogelijk mensen ten goede kan komen. Wie in het bezit is van verbruiksgoederen moet er met matigheid van gebruik maken en het beste deel ervan voorbehouden aan de vreemdelingen, de zieken of de armen. De burgerlijke overheid heeft het recht en de plicht om, met het oog op het algemeen welzijn, de wettelijke uitoefening van het eigendomsrecht te regelen.
Het zevende gebod verbiedt diefstal. Er is geen sprake van diefstal als de weigering van de eigenaar om iets af te staan tegen de universele bestemming van de goederen. Dit is het geval bij een dwingende en klaarblijkelijke noodtoestand waarbij het enige middel om te voorzien in een onmiddellijke essentiële behoefte (voedsel, kleding, huisvesting) erin bestaat te beschikken over en gebruik te maken van de goederen van derden.
Handelingen die ingaan tegen het zevende gebod zijn: het opzettelijk in bezit houden van geleende goederen of van verloren voorwerpen; bedrog in handelspraktijken; het betalen van onrechtvaardige lonen; het toepassen van prijsverhogingen waarbij men speculeert op onwetendheid of de noodtoestand van de evenmens; omkoperij; toeëigening en privé-gebruik van gemeenschappelijke goederen van een onderneming; het slecht uitvoeren van werken; fiscale fraude; het vervalsen van cheques en facturen; met opzet schade berokke­nen aan particulier of publiek eigendom.
Beloften moet men houden en contracten moet men stipt uitvoeren. Elk contract moet te goeder trouw gesloten en uitgevoerd worden.
Het zevende gebod vraagt ook eerbied voor de heelheid van de schepping. De dieren, de planten en de onbezielde wezens zijn van nature bestemd voor het gemeenschappelijk welzijn van de mensheid. De heerschappij over de natuur die de Schepper aan de mens heeft toevertrouwd is niet absoluut; ze wordt beperkt door de zorg voor de kwaliteit van het leven van de medemens met inbegrip van de toekomstige generaties. God heeft het beheer over de dieren toevertrouwd aan de mens. Het is dus geoorloofd zich van dieren te bedienen om zich te voeden en te kleden. Men mag ze tam maken, opdat ze de mens zouden helpen bij zijn werk en zijn vrije tijd. Als medische en wetenschappelijke proeven op dieren binnen redelijke perken blijven, zijn ze moreel aanvaardbaar, omdat ze ertoe bijdragen mensen te verzorgen of mensenlevens te redden. Dieren nutteloos laten lijden of hun leven verspillen is in strijd met de menselijke waardigheid. Eveneens is het onwaar­dig voor dieren buitensporig grote sommen uit te geven, die beter uitgegeven zouden kunnen worden om de menselijke ellende te verlichten. men mag van dieren houden; maar de genegenheid die alleen aan mensen toekomt mag men niet aan dieren verspil­len.

Uit: Katechismus van de katholieke kerk nrs 2401-2418
Wetenschap
Paus en liturgie
Paus en islam
Van deze tijd
De Areopaag en
buffetchristendom
Kerkelijke uitvaart